Het jaar 1989, een jaar vol belangrijke mondiale veranderingen, symboliseert een scheidingspunt tussen twee historische tijdperken, waarmee als het ware een lijn wordt getrokken tussen de Koude Oorlog en de gemondialiseerde, neoliberale toekomst. Gebruikmakend van dat momentum kondigde de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama in zijn beruchte essay uit 1989 ‘het einde van de geschiedenis’ aan. Daarin beweert hij dat er geen nieuwe visie op vrijheid en gelijkheid meer komt, geen politiek en geen doel om naar toe te werken, omdat we aangekomen zijn bij “het eindpunt van de ideologische evolutie van de mensheid en de universalisering van de westerse liberale democratie als uiteindelijke vorm van menselijk bestuur”. In wat hij denkt dat een ‘treurige tijd’ zal zijn, “is er kunst noch filosofie, alleen de voortdurende verzorging van het museum der menselijke geschiedenis”, omdat “de strijd om erkenning, de bereidheid om een leven op te offeren voor een volledig abstract doel, de wereldwijde ideologische strijd die moed, wilskracht, verbeelding en idealisme opriep, vervangen zal worden door economische berekeningen, het eindeloos oplossen van technische problemen, milieuzorgen en de bevrediging van complexe consumenteneisen.” Het idee van ‘posthistorie’, met haar kritiekloze viering van de superioriteit van de vrije markt en de westerse idealen, is inmiddels ontmaskerd als een onnauwkeurige voorspelling. Echter, omdat de hedendaagse kunstwereld nog steeds de omlijningen van dit historisch gefalsificeerde sociaal bewustzijn aftekent, vereist dit invloedrijke paradigma een kritisch heronderzoek als we dit punt verlangen te passeren.

Om zijn argument kracht bij te zetten, doet Fukuyama herhaaldelijk beroep op het gedachtegoed van Alexandre Kojeve (1902– 1968). Kojeve was een in Rusland geboren filosoof en politicus, die na de Tweede Wereldoorlog tot ieders verbazing stopte met het bestuderen en onderwijzen van het werk van Hegel en als diplomaat ging werken voor de Franse regering. Decennia voordat Fukuyama zijn theorie over het einde van de geschiedenis schreef, observeerde Kojčve ook al dat we leefden in een ‘posthistorisch’ tijdperk. In zijn versie was de geschiedenis echter tot stilstand gekomen in een verder weg gelegen verleden, namelijk ten tijde van de Franse Revolutie. Aangezien er geen plek meer was voor een ideologische strijd, kon de wereld vanaf toen alleen blijven bestaan door de uitvoering van alledaagse taken.

Volgens de ideeën van Kojeve ontdoet de ‘posthistorische’ situatie de mens als het ware van zijn menselijkheid, zodat hij geforceerd wordt de wereld te accepteren zoals deze is. Kojeve laat dit op pakkende wijze zien door middel van de afbeeldingen die hij verzamelde tijdens zijn reizen over de hele wereld in de jaren ’50 en ’60. Deze grootse collectie foto’s, die voortkomt uit Kojčves eigen artistieke praktijk, en de omvangrijke verzameling ansichtkaarten, die diende als informatie- en inspiratiebron, tonen een lege, verstilde, verlaten en, op een bepaalde manier, trieste, uitgeholde westerse wereld nadat de geschiedenis is geëindigd. Aan de hand van deze afbeeldingen registreerde Kojeve uiterst nauwgezet de wereld zoals hij deze zag: filosofisch, politiek en – in het verlengde daarvan – esthetisch. Kojeve dacht dat in deze ‘posthistorische’ situatie een mens ofwel een dier kan worden, ofwel een kunstenaar. Als men niet meer naar een andere toekomst verlangt, kan men het huidige moment – enkel door toe-eigening ervan – op artistieke wijze veranderen in een solide en stabiel kunstwerk, in een soort readymade. Na het einde van de geschiedenis verkeert de kunstenaar enkel in het heden, waarbij hij alleen uit het hier en nu stapt om zijn eigen geschiedenis te herschrijven.

In tegenstelling tot zulke denkbeelden is het belangrijkste streven van BAKs meerjarenproject FORMER WEST – met als focus van onderzoek de periode na 1989, om zo te kunnen speculeren over andere mondiale toekomstbeelden – om ons dingen andersvoor te stellen. In een kritische weigering om het heden gehoorzaam te omarmen, vragen we ons af wat we kunnen verwachten voorbij dit huidige moment, een moment dat vaak blind is voor de eigen onvolkomenheden. Het was in het kader hiervan dat kunsthistoricus, filosoof en conservator Boris Groys in de zomer van 2011 de immense visuele collectie van Kojeve ontdekte in de archieven van de Bibliotheque nationale de France. De tentoonstelling die uit deze ontdekking voortvloeide ontvouwt zich als een experiment van wat een kunstenaar kan zijn, en wat kunst kan betekenen, in een tijdperk dat vrij is van de gevestigde tevredenheid en het bedwelmende gevoel alles bereikt te hebben dat ons de laatste twee decennia zo eigen was.

De onthulling van deze lang verborgen gebleven schat kan dankzij deze eerste en unieke openbare presentatie ons helpen om niet alleen onze recente geschiedenis te heroverwegen, maar ook om de voltooiing van het heden uit te dagen en, belangrijker nog, ons voor te stellen hoe we samen onze toekomst ‘na het heden’ vorm zouden kunnen geven. Als de fotografische lens van Kojeve ons iets laat zien, is het wel een postnationaal, mondiaal podium voor zulke transformatieve kansen. Daarom is het niet onbelangrijk dat dit bijzondere project na de eerste presentatie bij BAK in de loop van 2012 en 2013 over de hele wereld gaat reizen, waarbij het te zien is op de 9de Gwangju Biennale, Gwangju; Palais de Tokyo, Parijs; CUNY, New York; OCAT, Shenzhen; en Moscow House of Photography, Moskou.

We maken graag van de gelegenheid gebruik om Boris Groys, FORMER WEST onderzoeksadviseur en curator van deze tentoonstelling, te bedanken. We zijn ook veel dank verschuldigd aan Nina Kousnetzoff; Bibliotheque nationale de France, Parijs, met name aan Bruno Racine, Sylvie Aubenas en Thomas Cazentre; Institut Francais, Amsterdam, met name aan Isabelle Mallez.

An essay written on the occasion of the exhibition, After History: Alexandre Kojève as a Photographer, curated by art historian and philosopher Boris Groys and on view at BAK from 20 May till 15 July 2012.