A co-authored text accompanying the exhibition I, the Undersigned, by Lebanese theater director, playwright, actor, and visual artist Rabih Mroué.

Met trots presenteert BAK I, the Undersigned, de eerste solotentoonstelling van de Libanese kunstenaar Rabih Mroué. Als theaterregisseur, scenarioschrijver, acteur en beeldend kunstenaar behoort Mroué tot de artistieke generatie die volwassen werd na het (formele) einde van de Libanese Burgeroorlog in 1990, wiens werk diepgaand beinvloed is door de aanhoudende conflicten in het land en het Midden-Oosten, als ook door hieraan gerelateerde politieke en culturele vraagstukken als de constructie van identiteit, geschiedschrijving, uitsluiting en herinnering. Mroués praktijk is even representatief voor deze complexe context als dat ze ervan afwijkt.

Vanuit een achtergrond in theater heeft Mroué verschillende ontwikkelingen binnen het domein van de performance verkend, waarbij hij verwijst naar zowel de kritische theatertraditie volgens de brechtiaanse methoden, als naar de performancekunst die verbonden is met de ontwikkelingen in de westerse hedendaagse kunst van de afgelopen halve eeuw. Zijn praktijk ontsnapt aan de kaders van disciplines door methoden en culturele canons te mengen, het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid te compliceren en vroegere ‘feiten’ te vermengen met speculaties over het heden.

Mroués werk kan opgevat worden als een constant onderzoek naar de verantwoordelijkheid en positie van de kunstenaar binnen de door traditionele conventies beperkte artistieke kaders en binnen politieke situaties die op principes van uitsluiting berusten. Enkele van de hoofdvragen die gepaard gaan met zijn werk kunnen als volgt geformuleerd worden: hoe kan door middel van fictie de waarheid geuit worden? Kan artistieke subjectiviteit een gemeenschappelijke, betekenisvolle en ethisch gefundeerde uitwisseling met het publiek creëren in een samenleving waarin individuen verdeeld worden door hun religieuze en politieke opvattingen? Hoe kan men een dialoog starten in een getraumatiseerde samenleving, bewust van deze werkelijkheid maar zonder in de valkuil van ontroostbare rouw te lopen, aangezien de politiek van de herinnering vaak voorkomt in contexten die een historisch trauma hebben ondergaan? Mroués houding is ondubbelzinnig: “Ik werk met deze onderwerpen om te vergeten, niet om te herinneren.” Zijn ‘vergeten’ kan echter niet opgevat worden als een onverantwoorde desidentificatie met zijn eigen geschiedenis. Het is eerder een actief proces van het leren omgaan met, en het weigeren van de onverbiddelijkheid van de gevolgen van de oorlog en het verwerpen van een permanente noodtoestand.

Vier bestaande werken en twee nieuwe, voor deze tentoonstelling gemaakte producties geven inzicht in Mroués benadering van geschiedenis en geheugen. Zijn werken – die vaak gebaseerd zijn op gevonden documenten als krantenknipsels, videomateriaal en foto’s die de kunstenaar door de jaren heen heeft verzameld in zijn persoonlijke archief dat, in zijn eigen woorden, bestaat uit herinneringen die hem uitputten – zijn eigenlijk gelegenheden om het gewicht van zulke geschiedenissen op een constructieve manier ‘uit te wissen’ door ze publiekelijk te delen. In Noiseless, 2008, voegt de kunstenaar zijn eigen foto in in krantenknipsels met mededelingen over vermiste personen, waardoor deze berichten weer persoonlijk worden gemaakt en in een ander regime van zichtbaarheid worden gebracht. Old House, 2003, is een korte video die de verwoesting van een huis in Libanon in een loop langzaam afspeelt en terugspoelt, en zo schommelt tussen de onherroepelijkheid van verwoesting en de mogelijkheid van vernieuwing. In On Three Posters. Reflections on a video-performance by Rabih Mroué, 2004, analyseert de kunstenaar de verschillende opnames waarin een van de eerste plegers van een zelfmoordaanslag in Libanon, een seculiere strijder die tegen de Israëlische bezetting van het zuiden van het land in 1985 vecht, zijn laatste videobekentenis oefent en opneemt. I, the Undersigned,2007 bevat de opvallende verontschuldiging van de kunstenaar voor zijn rol in de Libanese Burgeroorlog. Naast een monitor die het gezicht van de kunstenaar laat zien (zijn lippen onbeweeglijk), lezen we op een andere monitor een serie van uitspraken waarin Mroué zich met zelfbevrijdend detail verontschuldigt voor situaties waarin hij volgens hem (onbedoeld) heeft bijgedragen aan de voortzetting van het conflict. Echter, gezien de wettelijke normen voor het beoordelen van verantwoordelijkheden in oorlogstijd, lijken deze voorbeelden van Mroués zelfbenoemde betrokkenheid volkomen onschuldig, maar tegelijkertijd uitdagend in het licht van de conventionele definities van persoonlijke verantwoordelijkheid.

Het nieuwe werk Grandfather, Father and Son, 2010, verwijst naar een aantal gebeurtenissen in Mroués familie, die zowel indicatief zijn voor sleutelmomenten uit de geschiedenis van het land, als exemplarisch voor subjectieve pogingen tot verzet tegen het determinisme van die geschiedenis. Het werk verenigt materialen uit de bibliotheek van Mroués grootvader, een religieuze geleerde die communist werd, auteur was van een groot werk over de dialectiek in de islam, en vermoord werd toen hij begon te werken aan het derde deel hiervan; bladzijden uit het manuscript van de nooit gepubliceerde wiskundige verhandeling die zijn vader in 1982 schreef, het jaar van de Israëlische bezetting van Libanon en de complete escalatie van de burgeroorlog; en een kort verhaal rijk aan verwijzingen en voorspellingen van Rabih Mroué zelf, het enige dat hij ooit heeft geschreven en dat gepubliceerd werd tegen het einde van de oorlog in 1989 en nu op video is vastgelegd. De verzameling culturele artefacten in dit werk is noch een patrimoniale visie op het geestelijke verlies dat door de oorlog is veroorzaakt, noch een autobiografisch portret van een verwesterde intellectuele familie in Libanon. Het is eerder een analyse van de positie van kennis, de individuele veerkracht in uitzonderlijke situaties waarin geschiedenis wordt geschreven en van de verwikkeling van het individuele en het maatschappelijke in de totstandkoming van historische narratieven.

Je Veux Voir [Ik wil zien], 2010, een ander werk dat speciaal voor deze tentoonstelling is gemaakt, is gebaseerd op Mroués ervaring van het werken met de beroemde Franse actrice Catherine Deneuve als tegenspeelster in een film (geschreven en geregisseerd door Joana Hadjithomas en Khalil Joreige in 2008), waarvan Mroué de titel voor deze installatie bij BAK heeft gebruikt. De film is een gefictionaliseerde weergave van een deels waargebeurd verhaal, waarin Deneuve (die zichzelf speelt) tijdens haar bezoek aan Beiroet ter gelegenheid van een filmfestival een tocht maakt om de nasleep van de Israëlische aanval op Zuid-Libanon in 2007 te aanschouwen. Ze wordt hierbij vergezeld door Mroué (ook zichzelf spelend) die zijn geboortedorp voor het eerst sinds de aanval weer bezoekt. De installatie die Mroué voor BAK maakte bestaat uit een groot panoramisch beeld van het verwoeste dorp van zijn familie, geprint op een vrijstaande billboard, met aan beide kanten een video. De ene laat een korte scène uit de film zien, waarin Deneuve Mroué zoekt en zijn naam roept wanneer ze in het spookdorp even van elkaar gescheiden zijn. De andere toont geheimzinnige codenummers op de verwoeste muren van het dorp, die de onbekende en angstwekkende gemilitariseerde orde achter de chaos oproepen.

Voor Mroué is kunst de plaats waar men dingen ter discussie kan stellen en diepgewortelde normen en stereotypen kan openbreken. Wanneer citaten – of misschien eerder ‘overblijfselen’ – van een specifieke politieke situatie (samengebracht in de gearchiveerde documenten in Mroués werk) gebruikt worden om actief te ‘vergeten’, lijkt het hem eigenlijk te gaan om een proces dat de weg baant voor speculaties over wat zou kunnen zijn. Om inzicht te geven in een dergelijk werk, parallel aan de tentoonstelling, is op de volgende bladzijden van deze nieuwsbrief een gedeelte uit Mroués lezing-performance The Inhabitants of Images (2009) te lezen. Hierin zet een poster met de afbeelding van een (anders onmogelijke) ontmoeting tussen de vroegere Libanese premier Rafic Hariri (1944–2005) en de vroegere Egyptische president Gamal Nasser (1918–1970) een stroom overdenkingen en speculaties in gang over het construeren van politieke mythologieën en de manipulatie van beelden. Op een speelse wijze en met een niet onaanzienlijke scherpzinnigheid draagt Mroué in zijn tekst op een discrete manier kritische instrumenten aan om met dit beeld om te gaan, en schetst hij fragmenten van alternatieve verhalen, stukken die in een ongewisse toekomst nog bijeengebracht moeten worden — een benadering die zijn overtuiging getrouw is dat kunst de mensen vooral moet aanzetten anders over de dingen te denken.

Graag maken we van deze gelegenheid gebruik om Rabih Mroué te danken voor zijn betrokken en inspirerende werk.